Roots

Nog voor ik goed en wel op rustige cruisesnelheid ben en aan mijn ochtendlijke ademhalingsoefening in de auto begin, tovert een dartel reetje al een glimlach op mijn gezicht. En ook een ‘oef’ zoeft door mijn hoofd want het heeft veilig de overkant gehaald. Ik zag het een paar seconden eerder vanaf de andere rijrichting de betonnen middenberm van de E34 richting Antwerpen overspringen. Het liep richting de zachte grasstrook op grondgebied Oud-Turnhout en hield dan even halt. Alsof het niet zeker was van de ingeslagen weg. Het keek nog één keer een beetje vertwijfeld achterom, waar de auto’s vóór mij voorbijraasden. En dan waagde het de grote sprong over de gracht, richting een mooi groen weilandschap zoals we die in de Stille Kempen in overvloed hebben. Het wordt zijn nieuwe thuis. Of het ooit terugkeert?

Die dag vertrek ik extra vroeg want er staat een kwartaalmeeting in het verre Melden, een deelgemeente van Oudenaarde, gepland. We zullen er de hele dag met ons team vertoeven om het serieuze aan het aangename te koppelen. Ik wil echter eerst even door de andere deelgemeente Mater rijden. En een korte wandeling op het plein en kerkhof doen. Want het is uit die klei dat de helft van mijn dna komt. Mijn vader is geboren in Oudenaarde, woonde vijf jaar in Melden en nadien in Mater, tot hij op 16-jarige leeftijd door omstandigheden naar de Kempen kwam. Wanneer ik na een langer dan verwachte rit via een steile kasseiweg het gehucht binnenrijd, denk ik bij mezelf dat de kinderen hier stevige beenspieren moeten hebben om van of naar school te fietsen. Ik glijd verder, als over een prentkaart met kleine bochtige betonwegen die ik in mijn gedachten vergelijk met een schilderij van de Kempen, maar dan glooiend in plaats van zo goed als biljartvlak en met zand als bodemvariant voor klei. Via een smalle weg en korte bocht kom ik in de dorpskern aan de Amelbergakapel, waar ik mijn auto aan de rand van het kerkhof parkeer. De ouderlijke woonst van mijn vader moest daar ooit plaats ruimen voor de uitbreiding van de begraafplaats. Ik heb het gevoel er als klein kind ooit geweest te zijn, wat nadien door mijn moeder bevestigd wordt.

Langs een imposante trap stap ik omlaag. Neem een aantal diepe ademhalingen terwijl ik de vogels hoor fluiten. Mijn hart slaat wat sneller en ik voel hoe de kleine haartjes op mijn armen hun slaaptoestand loslaten en zich oprichten. Alsof ze de omgeving willen aanraken. Beetje onwezenlijk. Ik neem een foto en maak een panoramisch filmpje. Ik sluit de ogen, adem rustig en neem de plek, de geluiden, de geur, de zachte wind, het zonlicht en het collectieve bewustzijn in me op. Stil is het niet want naast de begraafplaats ligt een school, van waaruit ik kinderen door elkaar heen hoor praten, roepen, spelen. Een kakofonie van klanken die onverstaanbaar is maar waaruit vanaf de laatste rustplaats voor veel betreurden een jong enthousiasme en zin in het leven gedistilleerd kan worden. Ik zie de naam Roman – van de brouwerij waarnaar pa eerder al verwees – op de grote grafkelder staan en wandel over de paadjes langs een aantal grafrijen. Op de zerken lees ik meermaals mijn eigen familienaam, lees met een ietwat vreemd gevoel een tiental voornamen van mannen en vrouwen, drie zussen die samen eeuwig rusten en zelfs iemand met dezelfde voornaam als mijn vader. Er zijn ongetwijfeld ooms, tantes, (achter)neven en -nichten van hem bij. Terwijl ik verder wandel, kijk en onder de indruk blijf van de plek waar hij ooit gelopen heeft, raap ik een paar stenen op. Dan stap ik naar mijn auto, zie tegen een muurtje twee kasseien liggen waarvan ik er één meeneem. Een aantal ouders passeren met hun kind richting school. Ik neem nog wat foto’s van de grote kerk, kijk naar de klok, zie dat ik bijna te laat ga komen en stap met een warm gevoel de auto in. De tijd kan me momenteel eigenlijk gestolen worden.

Via kassei- en andere wegen die ik uit de Vlaamse Klassiekers ken, rijd ik terug richting de stad en dan Melden, waar we aan de voet van de Koppenberg met ons team de dag doorbrengen. Tijdens het eerste luik van de meeting, waarin het vooral over kwartaalresultaten, onze positionering en strategie gaat, dwalen mijn gedachten meermaals af. Ik blijf bij de les want dadelijk is het mijn beurt om een stuk van het verhaal te doen.
Maar eerst een korte pauze. Ik besluit nog even naar buiten te gaan om vanop het domein waar we vertoeven het landschap tussen de kerk van Melden en de Koppenberg bewust te ervaren en ook van daaruit wat kiekjes te schieten, onder andere van een mooie rij stevig uit de kluiten gewassen geknipte knotwilgen, die een beetje schuin maar trots het landschap sieren. “Terugsnoeien om dan weer beter te bloeien”, prevel ik terwijl ik een bloeiend takje afbreek om straks mee naar huis te nemen.

“Je voelt je thuis daar waar je wordt begrepen.” (Christian Morgenstern)

Met een goed gemoed – dat de hele dag niet stuk kan – werk ik samen met mijn toffe collega’ de rest van het programma af. Na de gezonde lunch beginnen we aan onze variant op de Highlandgames, waarbij elk teamlid een eigen Schotse naam mag kiezen. McSnail is uiteraard op mijn slakkenlijf geschreven, maar de hoofdprijs qua originaliteit gaat voor mij naar Quilwell McKenny. Na een paar rondjes paalwerpen, blaaspijprichten, boogschieten, hoefijzerwerpen, draagberrylopen, touwtrekken en vooral heel veel gieren van het lachen is onze fysieke tank leeg en drinken we een glas op een geslaagde dag die voor mij bolstaat van de symboliek.

Nadat alle andere collega’s vertrokken zijn, besluiten mijn goede vriend en ik om nog even naar de bult van Melden te trekken, want zo wordt de Koppenberg ook genoemd. En dat is met een stuk van bijna 20% echt niet overdreven. Mijn pa zou zowat aan de voet gewoond hebben en het doet raar om te wandelen waar hij leren lopen heeft. Nog wat beeldmateriaal verzamelen en dan een ferme wandeling omhoog. Een paar dappere fietsers hijsen zich over de kasseien richting top, soms tevergeefs op zoek naar een extra tandwiel om alsnog te kunnen schakelen of van links naar rechts laverend. McKenny staat niet in ons vriendenwoordenboek en we spreken af hier een volgende keer samen de bult te trotseren. Hadden we toch die mountainbike maar in de kofferbak gegooid. Op de top worden we beloond met een prachtig uitzicht over de ruimere omgeving. We wandelen keuvelend terug richting onze auto’s en wensen elkaar een fijn weekend. Vooraleer naar Oudenaarde te rijden, steek ik de grote baan over tot aan de kerk van Melden om daar nog even de sfeer op te snuiven. Dan trek ik terug richting Kempen, waar ik door een stevige file pas drie uur later en moe maar voldaan mezelf thuis op een warm bad trakteer. Wat een dag.

De dag nadien grasduin ik nog eens door de foto’s en filmpjes en stuur ze naar mijn ouders, waarop mijn moeder me laat weten dat pa heel veel dingen herkend heeft. Een paar dagen later kom ik bij hen en geef de stenen en takken af. Net als ik zijn ma en pa nooit de grootste praters geweest, zeker niet als het over emoties of het verleden gaat. Om het zacht uit te drukken: mijn pa heeft geen evidente kindertijd en jeugd gehad. Kende een verre van warm en flink uit elkaar gebrokkeld nest. Werd daarom als 16-jarige snaak – ik haal me voor de geest dat onze oudste bijna 15 wordt – in een pleeggezin uit Dessel opgenomen, het dorp waaruit mijn moeder afkomstig is. Samen hebben ze het er ondanks flink wat tegenwind van de straalstroom des levens heel goed vanaf gebracht en staan ze net als die knotwilgen ook wel wat schuin maar nog steeds overeind, met nieuwe scheuten onder de vorm van kinderen en kleinkinderen die trots zijn op het hout waaruit ze gesneden zijn.

“All that is gold does not glitter.
Not all those who wander are lost.
The old that is strong does not wither.
Deep roots are not reached by the frost.”
(Tolkien)

We raken aan de praat over de foto’s. Mijn pa ontpopt zich tot een waterval van herinneringen. Hij beschrijft perfect wat ik die ochtend gezien heb en vult het aan met hoe hij zijn thuis als kind beleefd heeft. Op de plek waar ik de stenen opgeraapt heb, moet bijna exact zijn ouderlijk huis gestaan hebben. De trap, de muurtjes, een steil pad waarlangs ze richting school en terug wandelden, vaak bang in het donker, met al die graven. Het klooster. De dorpscafés. De Amelbergakapel en -bron, waarvan hij de ontstaanslegende in detail vertelt. De grafkelder van de rijke familie Roman, het dodenhuisje waar gekiste doden nog gegroet werden. De steile kasseiwegen. Namen van familieleden en de drie zusters die volgens hem in het klooster zaten. Maar ook dat hij vanuit de duiventil op de zolder van hun huis met zicht op de begraafplaats in alle eenzaamheid veel verdriet en miserie gezien heeft. Hoe hij daar als de dierenliefhebber die hij altijd gebleven is een jong duifje gered en zelf grootgebracht heeft. Het werd een prijsduif die na een wedstrijd naar hem vloog, waarna hij de ring snel moest afdoen zodat die in de constateur of duivenklok kon. Dat hij geen warme en gelukkige jeugd gekend heeft. Hoe hij op jonge leeftijd afscheid heeft moeten nemen van zijn broers en zus die allemaal veel te snel overleden zijn. In welke mate het gezin ontwricht werd en brak. Ik denk aan pa’s uitspraak en begrijp meer dan ooit waarom hij nooit wilde dat ma en wij het zelfs bij vriestemperaturen thuis koud hadden. Voor dag en dauw maakt hij al sinds zolang ik weet ’s ochtends de houtkachel in de woonkamer aan. Hout is altijd zijn goud geweest. En door zijn toch nog wat Oost-Vlaamse tongval klinkt dat zelfs bijna hetzelfde.

Ma en pa vertellen nog dat ze tientallen jaren geleden de streek bezocht maar geen echte aanknopingspunten gevonden hebben. Het staat wel vast dat we erover doorpraten nu. Ondertussen heb ik de stad Oudenaarde een aantal vragen gesteld om alsnog antwoorden te vinden. Vrouwlief en ik hebben voorgesteld om samen met hen en onze spruiten een dag naar de streek te trekken waar onze roots gedeeltelijk liggen. Pa ziet het zeker zitten maar is ook een beetje bang voor koude rillingen omwille van het leed en verdriet dat hij daar ervaren heeft. Ik druk hem op het hart dat we er samen vooral voor warme rillingen zullen zorgen. Dat hij daar in ons bijzijn een statement kan maken en tonen hoe hij er met ma misschien tegen alle verwachtingen en kansberekening in toch in geslaagd is niet te verdorren maar te bloeien. Dat zijn wortels niet bevroren zijn. Ondertussen loop ik al dagen rond met het beeld van mijn vader die als kind vanuit de duiventil op zijn zolder naar mij als volwassene zwaait, terwijl ik hem vanaf het midden van de Materse begraafplaats aankijk en toeroep dat het allemaal goedkomt, zoals ook hij dat tegen de jonge, soms gehavende versie van mezelf gezegd heeft.

Waarom ik dit deel? Misschien draag jij een stuk (onverteerd) verleden met je mee en wordt dat omwille van soms pijnlijke herinneringen eerder weggeduwd dan toegelaten. Of ken je iemand in die situatie. Op die manier loop je het risico een slaaf van verdrongen emoties of een verstoten werkelijkheid te worden, vastgeketend in je hoofd. Een gevangenis die je met je meedraagt. Besef dat de klei waaruit je geboetseerd werd, is wie je bent. Durf er kwetsbaar op je blote voeten in gaan te staan en neem de bouwstoffen via de poriën onderaan je lichaam in je op. Kom thuis bij jezelf in het nu en onthoud dat je klei met een beetje water opnieuw kunt bewerken. Durf naast vreugdetranen ook het zilte nat van verdriet gebruiken om jezelf te bevrijden en (opnieuw) vorm te geven, vooraleer je door een te harde korst onheelbare barsten in je ziel slaat.

Alex Haley is auteur van Roots: The Saga of an American Family.  Daarin traceert hij de geschiedenis van zijn familie terug tot aan Kunta Kinte, de Mandinka die in Gambia gevangen genomen en in Amerika als slaaf verkocht werd. De miniserie liet op mij als kind al een diepe indruk na – dag hooggevoeligheid – en ik vergeet nooit meer de woorden, het oogcontact en de tranen die de zwarte gids en ik op de boottocht terug van het slaveneiland en het Mandinkadorp naar de haven van Banjul uitwisselden. Daarom, in Haleys woorden: “Either you deal with what is the reality, or you can be sure that the reality is going to deal with you.”

Advertenties

8 gedachtes over “Roots

  1. Verleden heb je , toekomst moet je maken.
    Maar je toekomst wordt altijd gebouwd op de ruines van het verleden.
    Prachtige familiekroniek Tommy Hartverscheurend en tegelijkertijd toch ook heel hartelijk.
    Gefeliciteerd.

    1. misschien beseffen we iets te weinig dat wat ‘je’ hebt meegemaakt in generaties lang dikwijls is opgeslagen in je DNA.
      – het verleden heeft een invloed op je hele ‘zijn’ in welk landschap je geboren bent bepaald welke innerlijke kracht je aanspreekt – trouwens ook de fysieke kracht –
      stamboomonderzoek is het begin van een nieuwe bouwsteen –

      @ Tommy, het is een pracht stuk ! heerlijk ! heel inspirerend !

  2. Ik krijg het warm en koud van dit bloedmooie stuk. Knap dat jullie dit voor jullie pa willen doen. Mijn opgroeigezin ligt ook aan diggelen en ik draag er nog altijd de sporen van. Gelukkig heb ik, net als jullie pa, zelf wel een warm nest kunnen bouwen met mijn man en onze vijf zonen.
    P.S. Mc Snail, geweldige Highlander!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s