239

“Gelieve u bij de receptie aan te melden om de ondergrondse garage te laten openen”, lees ik op zo’n typisch bordje wanneer ik voor het hotel parkeer. Ik stap uit en loop tot bij de bijzonder vriendelijke receptionist. Hij merkt dat ik bij een groep collega’s hoor die aan een tweedaags seminarie beginnen, iets wat we tweemaal per jaar doen om de teambatterijen flink op te laden en er weer twee kwartalen in te vliegen. “Ik doe de poort wel open zodra u weer in uw wagen zit”, gaat hij verder. Even later glijd ik heel voorzichtig de parking in, want de onderkant van het gebouw komt wel heel dicht bij de bovenkant van mijn auto.

“Eerder kon ik hier nog zonder controle inrijden”, denk ik bij mezelf. Het is namelijk niet de eerste keer dat we in dit hotel bij elkaar komen. Exact twee jaar geleden logeerden we hier ook, in januari 2015, een maand na mijn eerste crash, wanneer ik tevergeefs en veel te snel terug probeerde op te starten. Er was toen weliswaar meer afstand tussen mijn carrosserie op vier wielen van destijds en het beton, maar die stond haaks op de zo goed als onbestaande vrije ruimte in mijn hoofd. Ik was als een gedeukte bolide met schaafwonden waarvan de me(n)tale(n) laag in elkaar gedrukt wordt omdat de bestuurder zich tegen beter weten in toch door een onmogelijke situatie wil wringen.

Ik deel een passage uit mijn boek om aan te geven hoe ik daar eind 2015 – na vier maanden inactiviteit en een geslaagde deeltijdse doorstart – op terugkeek:

Ik creëer voor mezelf de schijn dat het wel gaat, maar besef eigenlijk dat ik niet leef maar in een vicieuze cirkel overleef. Collega’s voelen aan dat het niet goed gaat. Sommigen durven het ook zeggen. Ze kennen me beter dan ik gedacht had. (…) Ik laat gewoon los maar niet in de betekenis die mindfulness adviseert. Het is eigenlijk gewoon opgeven. Af en toe kruip ik thuis weg in een hoekje. Als een miserabel hoopje ellende in elkaar gehurkt en huilend nee schuddend word ik gevonden. Het enige wat ik nog over mijn lippen krijg, is: “Ik wil dit niet”. Maar wat wil ik niet? De situatie? Of dat mijn trotse ik van zichzelf niet verdraagt dat hij de situatie niet meer meester is. Ik heb de controle over mezelf verloren.”

De lobby van het hotel ziet er nog altijd even uitnodigend uit. Wanneer ik de toiletten opzoek en vaststel dat je die enkel met een kamerkaart kunt openen, wordt mij duidelijk waarom de veiligheidsmaatregelen verscherpt zijn. Iemand met slechte bedoelingen zou zomaar een bomauto ondergronds kunnen achterlaten en zelfvoldaan in alle rust wegwandelen of een rugzak zonder spijt en zorgen maar vol explosieven kunnen achterlaten om het gebouw en heel wat mensen tot stof te herleiden. Better safe than sorry, om de taal te gebruiken van een groep Amerikaanse toeristen die onder hetzelfde dak vertoeven. De wereld zal nooit meer dezelfde zijn.

“Herinnering is een vorm van ontmoeting.” (Kahlil Gibran)

Met mijn persoonlijke kaart bedien ik de glazen lift naar de tweede verdieping. Ik kijk naar de pijltjes op de muur om mijn kamer voor die nacht te vinden. Links. Nog een keer links, door een branddeur van communicerende gebouwen rechtdoor. Stilaan begint me iets te dagen. Ik stap kamer 239 binnen en dan maakt mijn lichaam me het pas echt tot in de kleinste vezels duidelijk. Ik ontmoet mezelf in mijn herinnering. Laat mijn bagage los. Een gevoel dat het midden houdt tussen koud en warm maakt zich van mij meester. Met de muis van beide wat trillende handen op mijn kin, in een soort cocon rond mijn mond hoor en voel ik de ademhaling tegen mijn palmen zwaarder worden. Mijn gebogen vingers strekken zich uit tot aan mijn ogen, waar ze in contact komen met de tranen die traag maar zeker hun vrije weg van binnen naar buiten vinden.

Ik sta in dezelfde kamer als twee jaar geleden. Een tijd stokstijf stil. Aan de grond genageld. Ik laat de emotie en de flashback toe. Loop er niet van weg. De ontelbare balken die toen geen antwoord gaven op de vertwijfelende vragen die ik hen stelde. Het veel te grote bed vol kussens waarin ik mezelf verloor. De plek waar ik me een have(n)loze zwerver voelde omdat mijn thuishaven, waar ik een maand veilig voor anker had gelegen, en de over mij wakende engelmeeuw een slordige honderd kilometer van mij verwijderd waren. Ik kijk naar de oude blinden in de nok van het dak, waarlangs ik liefst zo ver mogelijk weg of naar huis wilde vliegen.
Zelfvervreemd en ziende blind wegvluchten omdat ik ondanks de medicatie – ik probeerde een halve dosis – de slaap niet kon vatten. Ik herinner me hoe mijn in vicieuze cirkels draaiende brein me er samen met de spanningspijn in borstkas en nek op wees dat ik veel te vroeg de buitenwereld probeerde te trotseren. Zie terug voor me dat ik na een halve dag al stevig overprikkeld aan de lunchtafel zat en eigenlijk huiswaarts wilde keren, hoe oprecht begripvol mijn collega’s ook waren.
Dat ik koppig doorzette en de mentale pijn ’s avonds via de nodige promilles probeerde te sussen. Tevergeefs. De nacht nam wraak. Ondanks het extra halve spiegelgebouwpilletje dat ik met een glas water al naast het bed had klaargelegd. Door het raam zie ik de schitterende gevelrij aan de overkant van het water. Slaag erin het moment en het gevoel te omarmen – wat heb ik veel geleerd… Denk bij mezelf dat het spiegelbeeld van de gebouwen in het water twee jaar en ook veel langer geleden exact hetzelfde was – op die grote bouwkraan na.

“Een schip in de haven is veilig, alleen zijn schepen daar niet voor gemaakt.” (John Augustus Shedd)

Ik besef dat de persoon in de spiegel mij nu wel heel anders aankijkt dan toen. Feliciteer mezelf. Voel me sterker worden terwijl ik flink ademhaal. En dank het toeval (?) dat ik opnieuw door die deur naar binnen mocht stappen. Ik pak mijn spullen uit en nestel me in de lederen zetel om helemaal tot rust te komen. Om nachtkastjeeen statement te maken, loop ik naar de badkamer, vul een glas met kraantjeswater en zet het op het nachtkastje. Zonder pilletje. Want dat ga ik straks echt niet nodig hebben. En neem een foto. Een zeer attentvol kamermeisje heeft er de dag nadien trouwens een plastic flesje water gezet, aangeboden door het hotel. Een klein gebaar kan groots zijn.

Eind januari 2015 crashte ik voor de tweede keer en ging ik echt met mezelf aan de slag. Zonder medicatie. Die had ik uiteindelijk een drietal weken genomen maar zonder het gevoel – over afvlakken gesproken – dat het me effectief vooruithielp. Als ik aan die pilperiode terugdenk en wil meegeven hoe ik toen rondliep, haal ik steeds het nummer Into Dust van Mazzy Star voor de geest, dat in die tijd eens laat op de avond of ’s nachts – net als ik stond ook de tijd precies stil – in een film voorbij kwam waaien. Still falling. Breathless. I could possibly be fading. Turning into dust. Over de betekenis van teksten verschillen de meningen wel eens. Maar dat maakt volgens mij niet uit. Het gaat om wat een nummer bij jou oproept. Alles is perceptie, nietwaar? Ik kies hieronder bewust voor een akoestische versie, een vertroebeld beeld, een kabbelende gitaar en een melancholische viool die soms onhoorbaar en dan weer zacht of wat luider huilt:

Hoe de nachtrust tijdens deze tweedaagse in 2017 was? Die deed haar betekenis alle eer aan. Met welk gevoel ik achteraf naar mijn thuishaven gleed? Evenwichtig. Dankbaar. En ja, op een golf van trots. Mijn schip is goed onderweg en doet waarvoor het gebouwd is: varen.


Het was trouwens al een historische dag voor ik in het hotel onder de wol kroop. Want over de Grote Plas legde de nieuwe president de eed af. De openingstoespraak heb ik in de fitnessruimte gevolgd, terwijl ik wat losreed op een fiets die niet beweegt en yoga-oefeningen deed. Naast mij was een Amerikaan hetzelfde aan het doen. Hij kwam uit Chicago, de stad van Obama. We hebben wat gepraat over de politieke situatie in zijn land en de verwachtingen in de VS en Europa. Hij liet niet helemaal in zijn kaarten kijken – ook ginder is de stemming geheim. We deelden alvast elkaars bezorgdheid. Hopelijk wordt de man met de vinger aan de knop goed omringd. Knippen ze zijn Twittervleugels een beetje bij. En leert hij net als ik wat mindfulness met iemand kan doen.

Advertenties

9 gedachtes over “239

  1. Tranen prikken achter mijn ogen…waarom…die vraag stel ik mezelf en het antwoord is duidelijk…ik zit midden in je verhaal van jou 2 jaar geleden en werk nu heftig om de berg op te klimmen…mijn rugzak zwaar…het maakt de tocht er niet makkelijker op maar met goede wandelschoenen en een kompas kom ik er wel…zeer mooi geschreven Tommy en dikke chapeau voor jou.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s